Ik ben er ruim op tijd.
Om vanuit rust te kunnen vertrekken, de benodigde documenten te verzamelen en mijn beide ouders (nogmaals) voor te bereiden op wat er die dag gaat gebeuren; naar de oogarts met mijn vader voor een injectie in zijn oog.
Die herhaling blijkt geen overbodige luxe.
Mijn vader denkt dat mijn broer naar het ziekenhuis moet, in plaats van hijzelf.
Bij mijn moeder zie ik ondertussen de paniek oplopen: “en moet ík dan hier blijven?!?”
De jas, de rolstoel en de rust
De rolstoeltaxi is er, iets vroeger dan afgesproken.
“Waar is mijn jas?”, vraagt mijn vader.
Mijn moeder vliegt overeind, maar weet al snel niet meer wát ze zoekt, een vertrouwd beeld.
En omdat de motor (die van de duw-ondersteuning 😉) van de rolstoel wordt opgehaald en de banden zullen worden geplakt, moet mijn vader voor vertrek ‘overstappen’ naar een transportrolstoel.
De voorgenomen rust staat onder druk.
“Waar is mijn jas?” herhaalt mijn vader nog een paar keer.
Ja mam, jij mag hier blijven.
Ik zie tranen in haar ogen.
Ik overleg met de activiteitenbegeleiding of ze zich extra willen inspannen om mijn moeder te motiveren om mee te doen met het bloemschikken.
“Waar is mijn jas.”
Het wordt een fleecejack.
Met de pausmobiel naar de oogarts
En dan gaan we.
Met de pausmobiel, en een lawaaiige chauffeuse die er een feestje van maakt.
Ze wil perse in de oudste bus rijden, een diesel: “anders moet ik swipen, swipe ik de verkeerde kant op, en moet-ie aan de laaier.”
Ze vertrouwt me toe dat ik voor het taxibedrijf “mevrouw Puntje Puntje” ben, omdat de eigenaar zelf achter het stuur zat toen ik de rit bestelde en hij mijn naam niet kon noteren.
Mijn vader zit naast me in de wachtkamer ondeugend te observeren.
Wanneer een patiënt in de wachtkamer verzucht dat het er wel erg vol is, reageert mijn vader droog: “dat ziet u niet goed.”
“Daarom ben ik ook hier”, kaatst de man terug.
Wat bij mijn vader de vraag oproept waarom hij hier zelf ook alweer is.
Ik lees hem voor dat de ingreep nodig is om details te zien, te lezen en gezichten te herkennen.
“Oh, ben jij het“, grijnst hij.
De prik ondergaat hij met vertrouwen en is gezet voor hij er erg in heeft.
“Goedemiddag, u spreekt met mevrouw Puntje Puntje, kunt u ons weer komen ophalen?”

Terug naar huis
Tegen vieren zijn we weer terug in de villa.
Mijn moeder is behoorlijk van slag geweest; ik zag meerdere gemiste oproepen.
En zodra we binnen zijn, zoekt ze mij op… op de WC.
Hoogste tijd voor wat ontspanning, we gaan met z’n drieën naar de serre.
Een wijntje erbij.
Mijn vader weer in zijn eigen rolstoel.
De motor is opgehaald, de banden zijn hard.
Ze waren niet lek.
Ze zijn opgepompt.
Mijn moeder ontspant, en stelt me met onderzoekende blik keer op keer dezelfde vraag: “Die krullen van jou, Pauke, gebruik je daar wat voor?”
Door mijn vader herinnerd aan deze herhaling, erkent zij: “ja, mijn geheugen gaat soms wat achteruit.”
Op zijn beurt: “zolang jij maar denkt dat het ‘soms’ is.”
Ik noem hem een monster.
Hij geniet ervan.
Aanwezig zijn, ook als het veel vraagt
Ook ik probeer er een feestje van te maken.
Of beter gezegd: met kwaliteit aanwezig te zijn.
Maar ik kom wel totaal kapot thuis.
Mantelzorgen is ook dat; aanwezig zijn, terwijl niets meer vanzelf lijkt te gaan.
Tweeënhalf uur reistijd heen, en ook weer terug.
Of langer, als de NS dat wil.
Dat vraagt om zelfzorg.
Mij helpt wandelen, of hardlopen.
Zingen, schrijven, of dingen maken.
💚 Wat helpt jou?
Tussen al het regelen, lachen en loslaten door, mag je ook tijd nemen om op adem te komen.
Tip: ga even naar buiten. De natuur doet de rest.
Als je wilt, loop ik met je mee. 🌿